Recensie: Data en Dreiging - door Drs. A.C. Tjepkema

Data en Dreiging

De ware beoefenaar van het vak intelligence slaat deze bespreking natuurlijk over: hij weet allang dat dit boek is uitgegeven en kent de kwaliteiten ervan. Deze bespreking richt zich dus tot hen die iets verder staan verwijderd van het vak, maar er wel belangstelling voor hebben, om te beginnen het gros van de militairen. Bob de Graaff geniet in de militaire wereld enige bekendheid die dateert van de periode tussen 2010 en 2017 toen hij als hoogleraar Intelligence and Security Studies aan de NLDA was verbonden, een leeropdracht die hij nog steeds vervult bij Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen aan de Universiteit Utrecht. Bij de NLDA wist hij de basis te leggen voor de militair-wetenschappelijke studie van het vak en deze in de vorm van een master (de enige in Nederland) inhoud te geven.

‘Data en dreiging’ is vooral een leerboek. Een eerdere inspanning om de kennis in Nederland op dit terrein te boekstaven resulteerde in 2010 in de bundel Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten onder redactie van B.A. (Beatrice) de Graaf, E.R. Muller en J.A. van Reijn. Daaraan leverden meer dan dertig voornamelijk praktijkbeoefenaars een bijdrage; het hoort als twaalfde deel thuis in de Kluwer-serie ‘Orde en Veiligheid’. Het boek van De Graaff is meer gericht op het direct overdragen van kennis, zoals je van een docent en wetenschapper mag verwachten. Het is een ‘stap in de wereld van intelligence’, zoals de dubbelzinnige ondertitel luidt. Beide boeken kunnen prima naast elkaar bestaan en zijn vast verplichte lesstof bij de hoger onderwijsinstellingen waar I&V wordt gedoceerd. Waar De Graaff bij voorkeur spreekt van intelligence, gebruikt de Kluwer-bundel inlichtingen. Het verschil schuilt in de meer specifieke omgeving waarin de eerste term wordt gehanteerd; de schrijver legt uitsluitend het verschil met informatie uit. Het gaat ten diepste om het verwerven van een voorsprong op je tegenstander. Daardoor is het boek niet alleen interessant voor overheid en bestuur, maar ook voor het bedrijfsleven en sportorganisaties, om maar niet te spreken van criminele bendes en terroristische cellen. De laatste zullen vermoedelijk het hoofdstuk over verantwoording en ethiek overslaan.

De Graaff scoort hoog op inhoud en leesbaarheid. Het boek leest plezierig, elke stelling gaat vergezeld van bruikbare en soms zeer actuele voorbeelden. Deze zijn veelal ontleend aan de Amerikaanse en Britse praktijk, waarover veel literatuur bestaat. Typerend daarvoor is bij de behandeling van ‘agenten’ de kwalificatie ‘unwitting agent of influence’ van Donald Trump tijdens diens verkiezingscampagne door Michael J. Morrell, voormalig tweede man van de CIA, gegeven de invloed die hij kon hebben op het beleid. Duitse literatuur is schaars en Franse ontbreekt geheel; de beschikbaarheid daarvan is nu eenmaal gering. Duitse en Japanse praktijkervaringen uit de Tweede Wereldoorlog gebruikt hij wel, zij het meestal vanuit Angelsaksisch perspectief. Gegeven zijn kennis van Nederlands-Indië had ik uit die historische context meer vermeldingen verwacht. Knap is dat hij de complexe materie in iets meer dan tweehonderd pagina’s heeft weten te vatten. 

Terecht uitvoerig gaat De Graaff in op het verschil tussen de waarde van intuïtie versus methodiek, waarop de analist bij zijn werk terugvalt. Dat doet denken aan ‘art’ versus ‘science’ oftewel Clausewitz versus Jomini. Grondslag blijft dat analyse mensenwerk is en dat ervaring leidt tot verbetering van de intuïtie. Dat laat onverlet dat tal van technieken het analyseproces kunnen helpen. Een vooraanstaande techniek is de door de oud-CIA analist Richards Heuer bedachte Analysis of Competing Hypotheses, waarmee een objectiveerbaar inzicht in een probleem kan worden verkregen door de graden van onzekerheid in kaart te brengen. Heuer is sterk beïnvloed door Daniel Kahneman (Thinking Fast and Slow, 2011). Deze vond onder meer dat ervaring kan leiden tot gemakzucht, wat kritisch denken in de weg kan zitten. Ook keek Heuer naar de bevindingen van Philip Tetlock, die grondig onderzoek deed naar de uitkomsten van toekomstpredicties. De meest bepalende factor in de uitkomsten is de bereidheid van de voorspeller zijn inzichten aan te passen door telkens nieuwe informatie te verwerken. Frappant is Tetlocks bevinding dat er tussen de mediafaam van de voorspeller en de accuratesse van diens voorspelling een inverse correlatie bestaat. 

De schrijver stelt het analyseprobleem voor als de chaos die ontstaat als je twintig puzzels op een kamervloer uitschudt. Voeg daaraan toe dat van elk van die puzzels slechts een kwart op de grond is gesmeten en dat voorbeeldplaatjes ontbreken. In het ergste geval komt achteraf iemand het werk beoordelen die wel de voorbeeldplaatjes heeft en vraagt waarom de analist de puzzels niet heeft weten te leggen. De beoordelaar in deze metafoor is uiteraard de onderzoekscommissie die moet rapporteren over een intelligence failure. Vaak kan de analist niet veel meer doen dan wat Dean Rusk, minister van Buitenlandse Zaken onder de presidenten Kennedy en Johnson, suggereerde, namelijk dat ieder rapport eigenlijk zou moeten beginnen met: ‘damned if I know, but if you want our best guess, here it is’

De Graaff is bijzonder op dreef waar het gaat om deze intelligence failures, waarover hij ook in de genoemde bundel een hoofdstuk schreef. Deze leiden vaak tot grote ophef, onderzoekscommissies en ongewenste kijkjes in de keuken van de inlichtingengemeenschap van een land. Het gaat dan om niets minder dan de strategische gevolgen van een inlichtingenfalen, zoals de aanslagen van Al Qaeda op 11 september 2001, waarvoor de diensten hadden kunnen waarschuwen maar dat onopzettelijk niet deden. Nogal eens is zo’n falen te wijten aan politiek falen de diensten voldoende middelen te geven. Dat was het geval in België, waar politici de problematiek van radicalisering en terrorisme in Parijs en Brussel bagatelliseerden tot in maart 2016 een nieuwe grote aanslag op de luchthaven Zaventem plaatsvond. Een apocriefe anekdote betreft een Britse ambtenaar die sinds 1903 bij het Foreign Office had gediend en bij zijn pensionering in 1950 zei: ‘Year after year the worriers and fretters would come to me with awful predictions of the outbreak of war. I denied it each time. I was wrong only twice.’  

Een groot probleem van de intelligence schuilt in de disseminatie, door de Britse expert Michael Herman ooit de achilleshiel van het inlichtingenproces genoemd. Zowel de producent als de consument van intelligence moet zich inspannen om de kennisoverdracht op gang te houden. De Amerikaanse admiraal E.R. Zumwalt meende in 1974: intelligence leaks better than it disseminates. Een obstakel bij de verspreiding is geheimhouding die in de communicatie producenten verhindert hun ergernis te tonen over het niet benutten van hun moeizaam verworven kennis. Beleidsmakers kunnen nu eenmaal wel zonder intelligence, ook al heeft het beleid daaronder te lijden, maar diensten kunnen niet zonder afnemers. Een bijkomende factor bij de aanvaarding van producten is dat nuanceringen over de zekerheid van dreigingen of politieke koerswendingen van tegenstanders niet aansporen tot implementatie. Politici wantrouwen nuances.  

Inzichtelijk en actueel zijn De Graaff’s opvattingen over de toekomstige ontwikkelingen van I&V. Uitvoerig stelt hij de mogelijkheden van cyber, sigint, geoint en masint (measurement and signature) aan de orde. Van belang is dat de inspanningen op deze gebieden binnen de overheid in één hand blijven. Het dreigingsbeeld is toch al uiterst complex en interactie met de omringende samenleving is geboden. Daarbij ervaren de diensten de concurrentie van private bedrijven en onderzoeksjournalisten waardoor hun monopolie op de proef wordt gesteld. 

Mijn kritiek op dit werk is marginaal. Een index met vaktermen had niet misstaan. Verder is de auteur bij citaten niet consequent in het hanteren van de taal: Engels en Nederlandse vertalingen wisselen elkaar af. Het boek beveel ik – naast de genoemde categorieën – vooral aan bij politici en bestuurders. Hoe het niet moet bewees premier Balkenende aan de vooravond van de inval in Irak (2003), toen hij intelligence afkomstig van Downingstreet 10 niet wilde delen met de eigen diensten en daarmee hun andersluidende visie van speaking truth to power wegwuifde. Deze minachting resulteerde na zijn langdurige obstructie in het ontluisterende rapport van de commissie-Davids. Wat betreft De Graaffs behandeling van het toezicht op de diensten had ik min of meer verwacht dat het zeer eenzijdige benoemingsbeleid – politieofficieren en magistraten, pas sinds kort één man uit het vak – aan de orde zou komen, maar ik heb begrip voor zijn afstandelijke benadering die uitgaat van de status quo. Een leerboek is per slot van rekening geen manifest.  

Gepubliceerd in Militaire Spectator, nummer 11 - 2019
Drs. A.C. Tjepkema, kolonel-vlieger bd KLu